Voordat Jan Roelof Langenhof in 1917 zijn wagenmakerij in Wierden begon, was hij leerjongen bij een rijtuigbouwer in Kampen en bij wagenmakerijen in de regio zoals in Rijssen bij o.a. Schuitemaker




en bij Schreurs.




Verder deed hij kennis op bij de zaagmolen van Twickel, de Noordmolen in Delden.




In 1917 had Langenhof eerst zijn oog laten vallen op een pand aan het begin van de Rijssensestraat, in het centrum van Wierden. Hij zag hier goede mogelijkheden voor zijn bedrijf, want dan had hij smederij Nieuwenhuis naast hem. 






(1968)

Uiteindelijk werd het toch 2 kilometer verderop, Rijssensestraat 128.

  Nieuwsblad van het Noorden, vrijdag 25 januari 1924

  De Tijd, vrijdag 25 januari 1924


Er kwam een nieuwe woning.

 
(jaren '70)

Van de stenen die overbleven na de brand werd gelijk in het najaar van 1924 naast de nieuwe woning de werkplaats gebouwd.




(werkplaats, 2013)

Wagenmakerij Jannink

V.l.n.r.: Jannes Jannink, Jan Olde Scholten en Johan Jannink (circa 1910)

Jannes Jannink (geb. 1856) had een wagenmakerij aan de Hexelscheweg. Bijzonder was dat hij sinds 1899 voor zijn voorkamertje een café-vergunning had. (Ook wagenmaker Hermannus Woolderink had een café-vergunning voor zijn café Marktzicht in Wierden. Na zijn overlijden in 1917 vroeg zijn vrouw voortzetting van de vergunning en vroeg daarbij twee verklaringen van andere vergunninghouders, die bereid waren afstand te doen van 'te hunnen name  staande vergunningen, met het beleefd verzoek daar voor ééén vergunning te verleenen". De afstandverklaringen waren van Albert Nijhoff en van Jannes Jannink. (Bron: Historische Kring Wederden)
Toen Jannink rond 1917 stopte met de wagenmakerij kon men nog wel bij hem terecht voor reparatiewerkzaamheden.
Was het beëindigen van deze wagenmakerij misschien voor Langenhof reden om zich in Wierden te vestigen? 

Hout
Langenhof kocht in de omgeving eiken en beuken op en kapte de bomen zelf. De wortels werden meegenomen als brandhout voor de fornuispot. Soms moest de onderstam blijven staan. Langenhof vervoerde de boomstammen naar de vijver van buurman Vunderink. Dit om te voorkomen dat het hout zou uitdrogen en scheuren. Als hij er aan toe was om de boom te zagen, werd hij uit het water gehaald en direct in planken gezaagd. Na het zagen werden de planken op kleine tussenlatjes gelegd in een schuur waar de wind vrij door heen kon waaien. Zo werd het hout 'wind gedroogd'. 
Afbeelding invoegen

Wielen
Wielen zijn er in diverse groottes. De kracht die de wielen moeten dragen bepalen vorm, grootte en dikte. Maar ook het aantal spaken hangt af van de kracht die de wielen te verdragen krijgen. Een boerenwagen die voor zwaar werk werd gebruikt, had meer spaken dan het karretje waarin de boer op zondag naar de kerk reed. In Twente hadden de voor- en achterwielen van de boerenwagens meestal het gelijke aantal van 12 spaken. De spaken waren doorgaans van eiken, de wagens vaak van iepenhout.



De wagenmaker steekt veel vakmanschap en tijd in het maken van de wielen. Het wiel bestaat uit vier belangrijke onderdelen: naaf, spaken, velg en ijzeren band. 


Voor de naaf gebruikt de wagenmaker eiken, essen, iepen of acacia. De naaf wordt uit één stuk ruw rond hout op een houtdraaibank gedraaid. De wagenmaker gebruikt hiervoor vlijmscherpe beitels. Door steeds tussentijds te meten maakt hij de naaf op maat. In de ruwe naaf worden de gaten voor de spaken geboord. De wagenmaker doet dat op een apparaat dat draait en een verdeling heeft voor het aantal spaken. Zo zijn er wielen met 4 of 5 spaken (kruiwagens), maar er zijn ook wielen met 12 of 14 spaken. De verdeling voor de spaken staat op dit apparaat aangegeven. Met behulp van dit apparaat kun je gaten boren van 16 mm rond. Wanneer de gaten geboord zijn, gaat de wagenmaker ze rechthoekig uithakken. In zo’n rechthoekig gat komt later het uiteinde van een spaak. De naaf wordt nu op lengte gezaagd en gaat eerst naar de smid. Deze maakt er ijzeren banden omheen. De naaf van een wiel moet heel sterk zijn. Wanneer een wagen rijdt, komt er namelijk veel kracht op te staan. Door de ijzeren banden wordt de naaf versterkt. De smid maakt de banden roodgloeiend, legt ze om de naaf en koelt ze dan snel af, omdat het hout anders gaat branden. Door de afkoeling krimpt de ijzeren band en gaat muurvast om de naaf zitten. De naaf gaat nu weer terug naar de wagenmaker. Nu wordt heel nauwkeurig het gat voor de as geboord, anders gaat de wagen hobbelen. 
Daarna worden de spaken gezaagd uit eiken, essen of acacia. De spaak zit vast in een klopsergeant en wordt handmatig met een trekmes in model gemaakt. Daarna wordt de spaak mooi glad geschuurd. Met een beitel wordt het eind, dat in de naaf moet passen, rechthoekig gehakt. Het is de kunst om de spaken allemaal gelijk te maken van dikte en omvang. Hierbij komt veel maatgevoel en vakmanschap van de wagenmaker kijken. Het andere einde van de spaak blijft voorlopig nog onbewerkt. 
Dan worden de velgen gemaakt. Het beste hout voor velgen komt van de iep. Vroeger werden de velgen met een handdissel rondgehakt of werden zelfs door verwarmen rond gebogen. Per twee spaken wordt er één stuk velg gemaakt. Voor een wiel met 12 spaken zijn er dus 6 stukken velg nodig. Aan de kopeinden worden twee gaten geboord voor de pen en gat verbinding middels duvels. Voor de spaken worden twee gaten in de kromming van de velg geboord. 
Nu zijn de belangrijkste onderdelen van het wiel klaar om in elkaar gezet te worden. De naaf wordt op een naafstandaard geplaatst. Dan slaat de wagenmaker de spaken met de rechthoekige einden in de rechthoekige gaten van de naaf. Hij heeft ervoor gezorgd dat ze precies passen. Anders zou een spaak los in het wiel komen te hangen. Daarna legt hij de velgen erop en tekent de lengte van de spaken af. Dan zaagt hij de spaken op lengte. Vervolgens maakt hij met een hamer en houtbeitel het gezaagde einde rond. Deze ronde spaakeindes moeten namelijk passen in de gaten van de velg. Wanneer alles klaar is, monteert hij de velgen op de uiteinden van de spaken en zet de velgen aan elkaar met de duvels. Hij houdt wat ruimte tussen de velgen voor de ijzeren buitenband.  Het wiel gaat nu naar de smid voor de ijzeren band. 
De smid maakt de band zo op maat dat hij maar net om het wiel past. Door de band vervolgens in de oven roodgloeiend te maken wordt de diameter iets groter, omdat het ijzer uitzet door de warmte. De smid legt de band om het wielen zodra hij goed zit, koelt hij hem snel af om het verbranden van de velgen te voorkomen. Door de snelle afkoeling krimpt de band en komt muurvast te zitten. Voor dit werk ligt er bij de smid een oude molensteen. Die heeft een gat in het midden waar de naaf mooi in past. 
Nu hoeft de wagenmaker alleen nog maar het gat voor de naafbus precies passend te maken. Dan is het wiel helemaal klaar. De naafbus is van metaal. In deze naafbus draait de as van de wagen. En aan elk uiteinde van de as draait een wiel.   
Hierna gaat de wagenmaker aan de opbouw van de wagen beginnen. Dat betekent dat hij een hele goede timmerman moet zijn, want hij moet alle delen voor het onderstel maken: bodem, zijboorden, bok, diverse soorten dissels en lemoen bomen.


Vliegtuig
In 1932 wilde Henk van der Heiden uit Almelo een vliegtuig bouwen. Familielid Gerrit het Lam werd bij dit project betrokken, want hij werkte bij wagenmaker Langenhof. Boven de werkplaats konden de twee neven de onderdelen van het vliegtuig maken. Zo werd de propeller gemaakt van essenhout. Met paard en wagen werden de onderdelen vervoerd naar de boerderij van de familie Vlogtman in het Wierdensche Veld (Schietbaanweg). Hier werden ze in elkaar gezet. Onder toeziend oog van de familie en wat belangstellenden bleek de vliegdemonstratie geen succes. Er werd alleen rond gereden op propellerkracht. Met veel geronk was er af en toe een sprongetje van enkele centimeters. Om een zwaardere motor te kunnen financieren, zou het vliegtuig tegen betaling van een stuiver te zien zijn geweest bij wagenmaker Langenhof. (Dit wordt overigens ontkend door Freek Langenhof.) Het bekijken leverde nauwelijks iets op. Het vliegtuig werd uiteindelijk bij Vlogtman afgebroken.




An den kloken jongen in Almelo 

Jongen vleegmesienenmaker,
Almeloschen knusselder,
Iej zint verig met de hane,
Iej zint ginnen fusselder,
Iej hebt deurzich in de dinge,
Iej hebt wisse ’n good verstaand,
Iej zint ene, den alleent kan,
Loopt neet an d’n leidebaand,
Zölf mos iej de weg oew zeuken,
Want van zulks hej neet eleerd.
Mangs is in een book esnuffeld,
Zölf mar wieder prakkezeerd.
Doorum’ is ’t zoovöl te mooier,
Noej gin hulpe hebt ehad.
Iej zint ’t Twentelaand tot ere,
En oew’ Almelosche stad.
Al oew’ vrieje zetties gaf iej,
Al oew’ centen offern iej.
Wat nen mood um vol te hoalen,
Wat nen hoop geduld heb iej.
Haj ’t mesientien al an ’t tukkern,
En de raechies van de grond?
‘k Hoppe, det ’t neet lange duurt, of
Iej vleegt boaven Twente rond,
Det den haandel met de prenties
Good geet en de centen komt
En de veercilindermotor
Binnen oew’ mesiene bromt.
Wat zal ’t mooi wèèn, as oew vader
En oew moo te kieken stoat,
Aj in d’ eigene mesiene
Oaver ’t huus te vlegen goat. 

Johanna F. van Buren 

januari 1933 

Leu met centen
miej duch, det dissen jongen weerd is dej um nen poswisseltien stuurt, det um de weg noa de veercilindermotor neet al te lank wödt.


Bond
Het wagenmakersvak is een eeuwenoud ambacht. Elk dorp had er minstens één. Soms was de wagenmaker ook timmerman. De wagenmaker repareerde wagens en karren, maar hij maakte ook o.a. hamer- en schopstelen. De wagenmaker was een noodzakelijk man in elke gemeenschap. Toch werd hij ondergewaardeerd door boeren en burgers. Er zijn dan ook maar weinig wagenmakers die tot welstand kwamen. De bedragen die hij durfde te berekenen waren zeer laag. Bovendien werd er door de boeren stevig over de prijs onderhandeld. De afnemers betaalden vaak maanden na de aflevering. Zo liet Langenhof regelmatig zijn oudste dochter langs de afnemers gaan.Rond de Tweede Wereldoorlog was het wagenmakersvak niet meer zo sterk plaatsgebonden. Boeren en andere opdrachtgevers vroegen prijzen op bij wagenmakers in de omgeving. En al had een wagenmaker het nog zo druk, vaak probeerde hij toch de order binnen te slepen door een nog lagere prijs dan zijn concurrenten op te geven. De Twentse Bond van Carosserie- en Wagenbouwers, waar ook Langenhof lid van was, maakte een eind aan deze moordende concurrentie en liet de leden wagenmakers redelijke prijzen berekenen. 




 

de ledenlijst


 

Prijslijst




Eén van de knechten was Johan Mensink. Hij had bij de fa. Schuitemaker in Rijssen geleerd om te werken met de verschillende machines in de werkplaats, zoals de lintzaag.

Wagenmakerij Langenhof maakte houten ploegen, kruiwagens, kiep- en andere karren zoals een bakkerskar voor bakker Morsink en deze kar voor de kleinkinderen.




    


Wagensmeer e.d. kocht Langenhof bij Kroon Oil in Wierden.

      

N.B. Lees in De Wiezer artikelen Historische Kring Wederden deel 1 en 2 meer over de historie van Kroon Oil.




... wordt vervolgd.



Bronnen:
Met beide handen / Hout, Frederik J. Weijs, Uitg. Baart, Hilversum/Deurne, 1984
De Leidse wagenmaker, J.F. Heijbroek en C.R. Mönnich, Uitg. Terra Zutphen, 1981
Boerenwagens in model, F.P.J. Zwartjes, Uitg. Kluwer Technische Boeken B.V., Deventer-Antwerpen, 1980
Jaarboek Twente 2012, Uitg. Twentse Welle, 2012


naar boven