Jan Langenhof uit Enterbroek leerde het ambacht van wagenmaker bij Rijtuigbouwer Zellers in Kampen en bij de wagenmakerijen Van den Barg in Deldeneresch, Schreurs in Rijssen en Bloemendal in Markelo.
Toen hij zich als zelfstandig wagenmaker wilde vestigen, had hij eerst zijn oog laten vallen op een pand aan het begin van de Rijssensestraat. Hij zag hier goede mogelijkheden, want dan had hij Smederij Nieuwenhuis naast hem.
Uiteindelijk werd het toch twee kilometer verderop, Rijssensestraat 128. Toen hij op 3 mei 1917 trouwde met Willemina Morsink uit Enterbroek, kocht hij een huis met een winkeltje voor 3600 gulden van Jannes Eshuis. Als startend ondernemer begon hij hier zijn wagenmakerij. Mogelijk was de sluiting van Wagenmakerij Jannink aan de Hexelseweg reden voor Langenhof om zich in Wierden te vestigen.
Op donderdag 24 januari 1924 was er een fatale brand.
Twee weken na de brand had de Wierdense aannemer Schipper de blauwdruk ontwerptekening voor de nieuw te bouwen werkplaats al klaar. Het werk moest met spoed, zodra de bouwvergunning binnen was, worden aangepakt. Een maand daarna moest de werkplaats al in gebruik kunnen worden genomen. Uiterlijk 1 juni 1924 moest het kant en klaar worden opgeleverd. Zo niet, dan zou een boete volgen van 10 gulden voor elke dag later. Van de afgebikte stenen van het uitgebrande huis werd de nieuwe werkplaats gebouwd.
Langenhof kocht in de omgeving eiken en beuken op en kapte de bomen zelf. De spaanders vlogen daarbij in het rond. Die waren voor de boeren. Met een houten lier werden de bomen op een bomenwagen gelegd voor transport naar de wagenmakerij. De wortels werden meegenomen als brandhout.
De boomstammen bleven twee jaar naast de werkplaats liggen voor ze gezaagd konden worden. Ook werden ze wel eens naar de vijver van buurman Vunderink gebracht. Dit om te voorkomen dat het hout zou uitdrogen en scheuren. Als Langenhof het hout nodig had, werden de stammen uit het water gehaald en in de zagerij van Schuitemaker in Rijssen in planken gezaagd.
Voor de naaf gebruikt de wagenmaker eiken, essen, iepen of acacia. De naaf wordt uit één stuk ruw rond hout op een draaibank gedraaid.
De spaken worden gezaagd uit eiken, essen of acacia.
Het beste hout voor de velgen komt van de iep. Per twee spaken wordt één stuk velg gemaakt.
De kracht die de wielen moeten dragen bepalen vorm, grootte en dikte. Maar ook het aantal spaken hangt af van de kracht die de wielen te verdragen krijgen. In Twente hadden zowel de voor- als de achterwielen van de boerenwagens meestal twaalf spaken. Deze waren doorgaans van eiken.
De wagens vaak van iepenhout.
Daarna werden de planken op de wagen naar de werkplaats gebracht, waar ze op kleine tussenlatjes in de holtloze of buiten te drogen werden gelegd. Daar werd het hout dan door de wind gedroogd.
Elk dorp had wel een wagenmakerij, want de wagenmaker was een noodzakelijk man in de gemeenschap. Toch werd hij sterk ondergewaardeerd. Er waren nauwelijks wagenmakers die tot enige welstand kwamen. De bedragen die hij durfde te berekenen waren zeer laag. Bovendien werd er vaak stevig over de prijs onderhandeld. De afnemers betaalden vaak maanden na de levering. Zo liet Langenhof regelmatig zijn oudste dochter langs gaan om het geld op te halen.
Opdrachtgevers begonnen prijzen op te vragen bij wagenmakers in de omgeving. En al had de wagenmaker het nog zo druk, vaak probeerde hij toch de order binnen te slepen door een nog lagere prijs dan zijn concurrenten op te geven. De Twentsche Wagenmakers Patroons Vereeniging afd. Markelo en Omstreken, waar ook Langenhof lid van was, maakte een eind aan deze moordende concurrentie en liet de leden wagenmakers redelijke prijzen berekenen.
Samen met verschillende werknemers en zijn zonen maakte Langenhof tot 1960 vele boerenwagens, stortkarren, kruiwagen, ploegen, eggen, maar ook bijvoorbeeld een bakkerskar voor bakker Morsink en een bolderkar voor de kleinkinderen.
Langenhof mocht met een vergunning een hond voor zijn hondenkar laten lopen. Zo werden de (kleine) wielen naar smid Nieuwenhuis gebracht, die ze dan weer van ijzeren hoepels voorzag.
Bij het bewerken van het hout kwamen natuurlijk veel houtkrullen vrij. De slagers uit het dorp kwamen die krullen ophalen voor het roken van hun vlees.
Naast het ambachtelijke handwerk werden machines gebruikt, zoals de draaibank, de lintzaag en de vlakvandiktebank. Deze machines werden middels meerdere riemen aangedreven door een Deutz stationair motor in het motorhok achter de werkplaats.
Vanwege wellicht het oorverdovende geluid van de machines in de werkplaats, werd er ook buiten gewerkt.
Na 1945 kwamen er wagens met rubberen banden op de markt en vanaf beginjaren 60 gebruikten boeren meer tractoren dan paarden. Daar hoorden dus ook wagens bij met rubberen banden. Het werd de genadeslag voor alle ambachtelijke wagenmakers. Bovendien werden steeds meer zandwegen verhard met klinkers en asfalt. De ijzeren hoepels om de houten wielen maakten op deze wegen veel kabaal, maar nog erger, ze sleten veel sneller dan in zand. De vraag naar houten wagens met zware houten wielen nam dus fors af. Nog tot de eindjaren 50 werd er in deze werkplaats gewerkt, maar de opdrachten werden aanzienlijk minder.
Langenhof bleef bij het oude ambacht van wagenmaker en maakte niet de omslag naar carrosseriebouwer, zoals Van den Barg in Deldeneresch wel deed. Heel dichtbij was intussen ook Landbouwhuis Timmerman begonnen met het maken van de moderne wagens.
Toen Langenhof in 1963 overleed en zijn zoon Freek intussen beter betaald werk had gevonden bij Oonk Klokkenfabriek hier ook aan de Rijssensestraat, werden de deuren van de wagenmakerij gesloten.
De neven Henk van der Heiden (l) en Gerrit ‘t Lam (m) uit Almelo maakten in 1932 een vliegtuig in onze werkplaats. Gerrit was een werknemer van Langenhof.
De officiële opening in 1931 van Luchtvaartterrein Twenthe trok tienduizenden bezoekers naar Lonneker. Nog veel meer bezoekers kwamen een jaar later opnieuw vanwege de officiële ingebruikname van de luchtlijn Schiphol - Twente én de komst van de Graf Zeppelin.
Heel Twente raakte enthousiast over het vliegen.
Ook de 19-jarige Henk van der Heiden wilde vliegen, maar had daar geen geld voor. Daarom bedacht hij om zelf een vliegtuig te bouwen. Hij vroeg zijn neef Gerrit het Lam om hem te helpen. Op de zolder boven de werkplaats konden beiden de romp en de vleugels maken. De propeller werd gemaakt van essenhout.
Met paard en wagen bracht boer Vlogtman de onderdelen naar zijn boerderij aan de Schietbaanweg bij het Wierdense Veld. Hier werd het vliegtuig in een 'hangar' in elkaar gezet. De motor en de wielen werden geleend van de Eerste Almelosche Auto- en Motorenslooperij H. Borrink in Almelo.
Het vliegtuig had een spanwijdte van 7,50 meter en een lengte van 6 meter. Voor de cockpit werd de motor geplaatst. Bovenop zat de 10 liter benzinetank. De benzine liep rechtstreeks naar de motor eronder. Ondersteboven vliegen was Henk dus zeker niet van plan. Het landingsgestel bestond uit twee wielen van een motor. Het achterwieltje was een stuk sleepstaal. De kleppen voor stijgen en dalen aan de vleugels stonden via bedrading in verbinding met pedalen in de cockpit. Daar was op een simpel stoeltje van triplex alleen plek voor Henk. Met zijn handen en voeten kon hij de instrumenten bedienen.
Onder toeziend oog van familie en bekenden bleek de eerste proefvlucht geen succes. Er werd alleen rond gereden op propellerkracht. Met veel geronk was er af en toe een sprongetje van enkele centimeters.
Een sterkere motor, b.v. een 4 cilinder Hendersonmotor zou het 350 kg zware toestel vast wel doen opstijgen. Goede vriend Geert Alink zette daarom een soort van crowdfundingsactie op. Het vliegtuig zou tegen betaling van een dubbeltje te zien bij Vlogtman.
Streekdichteres Johanna F. van Buren ondersteunde dit initiatief en deed een oproep in de krant: "Leu met centen miej duch, det dissen jongen weerd is dej um nen poswisseltien stuurt, det um de weg noa de veercilindermotor neet al te lank wödt".
Ze schreef daarbij ook een gedicht dat in januari 1933 werd gepubliceerd in Het Twentsch Zondagsblad.
Johanna van Burens oproep en gedicht, maar ook de actie om het vliegtuig te komen bekijken leverde nauwelijks iets op. Het vliegtuig werd uiteindelijk afgebroken. Dat wil zeggen, de motor en de wielen gingen terug naar Borrink in Almelo.
De romp bleef nog lang staan. De 'hangar' met vliegtuig werd het domein van rondscharrelende kippen.
Uit foto's van de familie Hilberink blijkt dat in de zomer van 1942 het vliegtuig als decor gebruikt werd voor foto's bij het huwelijk van Albert Hilberink en Hendrika Plas. Op de romp zien we groot de letters ADA, de naam van de moeder van Henk van der Heiden.
In zijn diensttijd werd Henk vliegtuigmonteur. Zijn droom kwam werkelijk uit toen hij later een fanatiek zweefvlieger werd.
Na wat renovatiewerkzaamheden bevestigde burgemeester Henk Robben het gemeentelijk monument schildje op de gevel en zo gingen op Open Monumentendag 2015 de deuren van onze wagenmakerij open voor publiek.
Tijdens Open Monumentendag 2019 openden burgemeester Doret Tigchelaar (r) en mevrouw Dinie Langenhof (l) onze ontvangst- en expositieruimte ‘Holtloze’.